1870 Vatikaan

Reisverhalen > 1870 Vaticaan

Onderstaand is een weergave van het verhaal `Het Vaticaan`, geschreven door een onbekende reiziger aan het einde van de 19e eeuw.

Slaapkamer van paus Pius IX.
Slaapkamer van paus Pius IX.

This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at http://www.gutenberg.org/
Het Vaticaan.

I.

Reeds meermalen nodigde ik u uit, mij te vergezellen op mijne wandelingen door Rome, de onvergetelijke, de onvergelijkelijke stad. Wij doolden samen langs hare straten en pleinen, door hare ruïnen en monumenten; wij bezochten hare kerken, kloosters en paleizen; wij trachtten ons uit den overstelpende rijkdom van beelden en herinneringen, die zich hier bij elke voetstap verdringen, althans de belangrijkste en treffendste voor den geest te roepen. een geschiedenis van vijf-en-twintig eeuwen, een geschiedenis als geen andere stad ter wereld kan aanwijzen, ontrolt zich hier, in nog leesbaar schrift, voor uwen blik: de oude wereld, in haar hoogste glans en verblindende heerlijkheid, in haar verval en ondergang ook; en daarnevens volgt ge, met eerbiedige aandoening, met kinderlijke ontroering, in haar wasdom, haar ontwikkeling, haar strijd, haar zegepraal, die christelijke kerk, waarvan Rome, bijkans sinds den aanvang, de hoofdstad, de metropolis, het aardse middelpunt was, en die, als wereldmacht, zonder en buiten Rome kwalijk denkbaar is.

In het ons gestelde bestek was het niet mogelijk, u alles te laten zien, deze geheel unieke wereld, welke Rome heet, u in al hare volheid, in haar veelvoudige rijkdom te openbaren. Geen volledige schilderij gaven of beloofden wij u: slechts enkele schetsen. Mogen ze maar niet te zeer beneden de majesteit van het onderwerp zijn gebleven; mogen ze u slechts, nu en dan, als uit de verte hebben doen voorgevoelen, doen gissen, wat den pelgrim wacht, die naar deze moederstad van het christelijk Europa, naar deze voedster van kunst en wetenschap, zijne schreden richt. Toch zou het ons niet van het hart kunnen, voorgoed van Rome te scheiden, zonder u te hebben heengeleid naar die wereldberoemde plek, het hart van het latere Rome, naar dat pauselijk paleis, waarvan de naam, sinds eeuwen, op aller lippen zweeft, en ook nu weder door duizenden bij duizenden, met zoo verschillende aandoeningen en op zoo verschillende toon, wordt uitgesproken: naar het Vaticaan.

Ge schrikt toch niet op het hooren van dien naam? Stel u gerust: wij zullen van ons bezoek aan de pauselijke residentie geen voorwendsel maken om af te dalen in het strijdperk der staatkundige en godsdienstige machten, van wier geduchte, wereldhistorische, en toch pas aangevangen worsteling, wij de verre van onverschillige toeschouwers zijn. Maar dit dan ook vragen wij van u, dat gij met eerbied dezen drempel overschrijdt, met dien eerbied, dien ge behoort te gevoelen voor al wat waarlijk groot is, wat gewijd is door de onvergankelijke herinneringen der eeuwen, gewijd door de majesteit der godsdienst, der kunst, der traditie. Zie, wien niet in zijn hart dien eerbied voor het verleden, voor de traditie gevoelt, dien vromen eerbied, dien ik zoo gaarne piëteit zou noemen, hij blijve verre van het Vaticaan, verre van Rome—althans van het Rome, zooals wij het gekend hebben. Zoo ge u niet, wie ge overigens zijn moogt, met brandende verontwaardiging, met walging, afkeert van de ondragelijke, laaghartige, echt gemeen lasteringen en spotternijen en armzalige geestigheden, waarin een zeker deel onzer dagbladpers niet kan nalaten zich te vermeien, zoodra er sprake is van het pauselijk hof of van de katholieke kerk;—sla dan deze bladzijden over: wij wensen voor u niet te schrijven. Maar kunt ge sympathie gevoelen voor hen—al deelt ge hunne godsdienstige of staatkundige overtuiging niet—wier harte treurt en rouw draagt over de vernedering der stad, van haar hoogen rang als metropolis der christelijke wereld gevallen, om af te dalen tot dien eener vulgaire hoofdstad van een modern koninkrijk, waar de geestdodende, verstommende arbeid der hedendaagse industrie de klassieke herinneringen en heilige overleveringen zullen verdringen en uitwissen, waar het geur- en kleurloze moderne leven alles met zijn eentonig grauwe tint zal overdekken; sympathie voor hen, wier lippen niet dan met eerbied den naam uitspreken van dien grijsaard, die, door geen rampen gebogen, standvastig blijft getuigen voor wat naar zijne overtuiging waarheid is en recht, die met onwankelbare trouw het hem overgeleverde pand bewaakt, en met koninklijke fierheid weigert de knie te buigen voor de afgoden van den dag; den naam van dien veelbeproefde paus Pius IX, wien ook zij, die, gelijk wij, niet tot zijne kinderen behooren, wel gaarne de hulde hunner hoogachting brengen,—wel dan, wees welkom, volg mij naar het Vaticaan zelf, een stad in de stad, een eigene wereld in de wereld van Rome.

 

II.

Op een mijl afstands van het oude Rome in een smalle vallei, aan de een zijde begrensd door de westelijke hellingen van den Janiculus, aan de andere door een lage heuvelreeks, ontsprong weleer een kristalheldere bron, waar de herders hunne kudden heenleidden om te drinken, en wier wateren zich welhaast verloren in de ruischende rietbosschen langs haar zoom. Onder de regeering van keizer Valentinianus II, liet paus Damasus het water dier bron, langs onderaardsche buizen, naar een plek in de nabijheid der basiliek van Sint-Pieter voeren: een plek, die in den loop der eeuwen herhaaldelijk van voorkomen is veranderd, maar die toch nog altijd, door haar naam en haar fontein, de herinnering bewaart aan Sint-Damasus, den opvolger van Liberius op den roomschen stoel, den vriend van den heiligen Hieronymus. Het groote voorplein, dat uit de kolonnade van Sint-Pieter naar die verzameling van paleizen en museums voert, welke samen den naam van het Vaticaan dragen, heet nog altijd het plein van Sint-Damasus.

Die fontein en die waterleiding—ziedaar de oudste sporen van een pauselijke woning in de onmiddellijke nabijheid der basiliek, die het gebeente der apostelen Petrus en Paulus bevat. Het water van deze fontein heeft Karel de Groote gedronken, toen hij als gast van Leo III, in deze woning zijn intrek nam, eer hij het verlaten paleis der Caesars op den Palentijn ging betrekken. Dat plein van Sint-Damasus, door hoevele machtigen der aarde is het sedert betreden!

Naar men zegt, heeft het Vaticaan elfduizend kamers: niemand zal ze wel hebben geteld, en zeker zal geen enkele paus ze ooit hebben bezocht. Toch zult ge u van de uitgestrektheid van dit paleis, dat heugenis heeft van zoovele eeuwen, waaraan Barmante, Raphaël, Ligorio, Fontana, Maderna, Bernini en zoovele anderen gearbeid hebben, een denkbeeld kunnen vormen, wanneer ik u zeg, dat deze groep gebouwen niet minder dan twintig pleinen of binnenplaatsen omvat, en dat er voor een behoorlijke gemeenschap tweehonderd-acht verschillende trappen noodig waren. De rechtervleugel van het plein van Sint-Damasus wordt ingenomen door een dubbele reeks gebouwen, waarvan de bovenverdiepingen, tegenover het plein Rusticucci, bewoond worden door de hoogste dignitarissen van den staat. Om bij monseigneur De Mérode, den minister van oorlog, te komen, moest men tweehonderd trappen opklimmen; de alvermogende staatssecretaris, kardinaal Antonelli, woont niet veel lager. De verdieping onder deze bevat de vertrekken van den heiligen vader zelf, die uit zijne hooge woning over de gekanteelde muren van den Borgo heen ziet. In de eerste jaren der regeering van den tegenwoordigen paus, placht, op den feestdag van Sint-Pieter, het landvolk uit den omtrek van Rome zich bij de Porta-Angelica te verzamelen, om daar, van zoo nabij mogelijk, den toen zoo gevierden Opperpriester toe te juichen, als hij zich voor de vensters van zijn paleis vertoonde. Ze zijn sedert verstomd, die juichkreten….

De gebouwen, die het binnenplein omringen, zijn ontworpen naar teekeningen van Raphaël. Hij schetste het plan dier ronde booggewelven, dier dorische pilaren op de eerste, dier ionische op de tweede verdieping, dier saamgestelde kolommen, die den architraaf dragen. Van de drie vleugels voltooide hij echter slechts den grootste; Gregorius XIII en zijne opvolgers zetten het werk voort en volgden daarbij het oorspronkelijke plan. Slankheid en bevallige eenvoud kenmerken deze galerijen; maar meer dan door het gebouw zelf werd vroeger de aandacht van den bezoeker getrokken door de wereldberoemde schilderijen van den meester, die van beneden tusschen de bogen zichtbaar waren. Sedert eenige jaren is dat evenwel niet meer het geval. Iemand—men beweert kardinaal Antonelli—is op de ongelukkige gedachte gekomen om de open bogen der Loggie met groote vensterramen te sluiten, waardoor deze galerijen iets hebben gekregen van een serre of modernen wintertuin, en de edele eenvoudigheid van het gebouw totaal verloren is gegaan. Des zomers is het in de dus gesloten bovengalerijen, waar de kostbaarste kunstwerken zijn, schier ondragelijk heet: men zegt dat deze verhitte broeikasten-temperatuur voor de schilderijen nog veel nadeeliger is dan de invloed van wind en weer.

Ter linkerhand voert een trap naar deze Loggie (Loges), een galerij van dertien bogen, vanwaar ge u naar de vertrekken kunt begeven der voormalige pausen Nicolaas V, Sixtus IV, Alexander VI, Julius II, Leo X, Clemens VII, enz. Deze vertrekken, tegenwoordig ontmeubeld, getuigen nog van de heerlijkheid der pausen uit de huizen van La Rovère en Medicis; zij worden thans alleen door kunstenaars en enkele andere vreemdelingen bezocht, die ook wel iets anders willen zien, dan waar het groote publiek prijs op stelt. Voor ditmaal zullen wij niet verder gaan dan de eerste verdieping dezer gebouwen, die voortdurend vergroot en uitgebreid zijn, sinds paus Celestinus III ze in 1192 herbouwde, en sinds daar, na de terugkomst uit de babylonische ballingschap van Avignon, voor de eerste maal, ten jare 1387, een conclave gehouden werd, waarin de Napolitaan Pignani werd verkozen, die onder den naam van Urbanus VI den pauselijken stoel beklom. Deze loges, waarvan het bevallige, sierlijke schilderwerk, van de hand van Jan van Udine—bloemen, vruchten, vogels, arabesken, enz.—onder de regeering van Pius IX zeer sterk is gerestaureerd, voeren naar twee ruime, kostbaar versierde zalen, de Sala Ducale (Hertogszaal) en de Sala Regia (Koningszaal). Beiden munten veelmeer uit door pracht dan door smaak; zoowel de stijl als de decoratie van beeld- en schilderwerk is zwaar, drukkend, onbevallig. Ons wacht zooveel uitnemend schoons, dat wij ons in deze zalen, waarvan ge de wedergade overal zoudt kunnen vinden, niet behoeven op te houden.

Op zekeren dag dwaalde ik door de Sala Regia, zoekende naar een deur en een custode, om mij te begeven naar een weinig bezocht heiligdom der oude kunst, vóór het schitterend tijdperk der renaissance, door de twee groote mededingers, Michel Angelo en Raphaël, beheerscht. Toevallig kwamen juist eenige franschen voorbij, begeleid door een prelaat, die mij de poort van dit heiligdom ontsluiten kon. Ik voegde mij bij hen, en volgde hen naar de Appartementen Borgia, op last van Alexander VI, voor het grootste gedeelte door Pinturicchio beschilderd.

Bernardino Betti, bijgenaamd il Pinturicchio, is wel de merkwaardigste van een groep kunstenaars, die, met en nevens Raphaël, de nieuwe richting der Renaissance volgende, toch meer hebben overgehouden van dat naïeve, romantische, en meer teedere dan edele, dat diep gemoedelijke, dat de kunst der middeleeuwen in zoo hooge mate eigen was. In de stille gebergten van Umbria, in het afgelegen Perugia, zuiverder dan elders bewaard, vond deze oude traditie, waaraan ook Raphaël zelf een niet gering deel van zijne ongeëvenaarde bekoorlijkheid dankt, vooral ook hare uitdrukking in de werken van Pinturicchio, den medearbeider van den grooten meester van Urbino, door wiens machtig genie hij zelf werd bezield. Maar Pinturicchio staat veel dichter bij den ouden tijd: toen Raphaël geboren werd, was hij bereids negen-en-twintig jaar oud; zijn eerste meesters behooren nog tot de voorgangers van Perugino, tot wiens leerling men hem ten onrechte gerekend heeft, en die maar acht jaren ouder was dan zijn gewaande leerling. Beiden hebben hunne vorming te danken aan Benedetto Buonfigli; beiden hebben, hoezeer op verschillende wijze, denzelfden weg gevolgd; maar terwijl Perugino, als door een soort van verbijstering aangegrepen, den moed verliest en ondergaat, blijft zijn mededinger, wellicht tot minder schitterende hoogte opgeklommen, toch voortdurend vooruitgaan, en staat daar eindelijk als de laatste en eenige vertegenwoordiger der zuivere traditie van de umbrische school.

Bernardino Betti heeft, op last van Alexander VI, in het Vaticaan vier zalen met de werken zijner hand versierd: werken, waarvan de eenigszins schroomvallige liefelijkheid en de teedere frischheid van koloriet, nog heden uwe aandacht trekken. Alvorens deze zalen te bereiken, gaat ge door eenige vertrekken, die tot bibliotheek zijn ingericht, en komt dan in een zaal, die onder Leo X werd herbouwd en door Jan van Udine en Perino del Vaga op nieuw gedecoreerd. In de volgende zaal echter vindt ge het werk van Pinturicchio: tooneelen uit het leven van den Zaligmaker en van de heilige maagd. De schilderijen, waarvan vooral de aanbidding van het Kind door de heilige maagd en Sint-Jozef uitmunt, komen voortreffelijk uit te midden der rijke en eenigszins donkere, sombere decoratie der zaal. De volgende zaal is nog prachtiger versierd: bas-reliefs wisselen hier het schilderwerk af. De groote stukken dragen een eigenaardig kenmerk: blijkbaar heeft de schilder er zich op toegelegd, om aan de gewijde tafreelen een zooveel mogelijk behaaglijk karakter te geven:—het is godsdienstige kunst voor het paleis van een groot geestelijk heer. Op den achterwand, tegenover het venster, heeft de schilder de legende van Sinte-Catherina van Alexandrië voorgesteld, die voor keizer Maximianus verschijnt, en door hare geleerdheid een gansche vergadering van wijsgeeren beschaamt, opzettelijk bijeengeroepen om met haar te redetwisten. Aan deze zegepraal dankt zij de eer, patrones der scholen te zijn; maar terwijl de uit het veld geslagen wijsgeeren naar den brandstapel werden gevoerd, onderging ook Sinte-Catherina zelve den marteldood op het rad. In deze zelfde zaal ziet ge nog den marteldood van Sinte-Juliana; Sinte-Barbara het huis haars vaders ontvluchtende, een allerliefst geteekende figuur, vol jeugd en naïeve onschuld; een Visitatie (het bezoek van Elisabeth bij Maria), waarin de madonna, naar het schijnt, een portret is: een profanatie, die toen nog een nieuwigheid was. Voorts een afbeelding van de kluizenaars Sint-Antonius en Sint-Paulus, het brood verdeelende, dat een raaf hun aanbrengt, terwijl drie engelen en twee andere monniken hen gadeslaan; eindelijk nog een Sint-Sebastiaan. Pinturicchio is een der eersten, die zijne figuren op een wezenlijken achtergrond, in de ruimte, heeft weten te plaatsen; zijne liefelijke landschappen, de zachte, teedere, smeltende tonen zijner perspectieven geven aan zijne schilderijen niet alleen een groote bekoorlijkheid, maar ook een hooge mate van waarheid.

De Porta-Angelica.—Het pauselijk paleis.

De Porta-Angelica.—Het pauselijk paleis.

De decoratie der zaal, die nu volgt, is ontleend aan de oude wijsbegeerte der scholastiek. Zeven groote schilderijen stellen de attributen der goddelijke en menschelijke wetenschappen voor: zeven allegorische figuren, op tronen gezeten, en omstuwd door de mannen, die zich in al deze vakken bijzonder beroemd hebben gemaakt. Wat aan deze, anders zoo dorre en op zich zelf zoo weinig aantrekkelijke voorstellingen een bijzondere bekoorlijkheid geeft, is de uitnemende kunst en treffende waarheid, waarmede al deze personen levend en handelend, ieder naar den aard van zijne bekwaamheid en beroep werkzaam, zijn weergegeven. De figuren zijn uit het leven gegrepen, en hebben niets van die onnatuurlijke stijfheid en gemaaktheid, dat gedwongene en gekunstelde, dat maar al te te vaak aan latere symbolische of allegorische voorstellingen eigen is.

Groote galerij der vatikaansche bibliotheek.

Groote galerij der Vaticaansche bibliotheek.

De volgende zalen zijn veel minder beteekenend, omdat Pinturicchio, aan wien de versiering der kathedraal van Orvieto was opgedragen, zich bij de beschildering dezer vertrekken door zijn ouden leermeester Buonfigli liet vervangen. Toch vindt ge misschien nergens zoo uitnemende gelegenheid om de eigenaardige traditie der umbrische school, een dochter der oud-florentijnsche, en vooral ook het talent van een harer voortreffelijkste vertegenwoordigers, Bernardino Betti genaamd il Pinturicchio, te bestudeeren, dan juist in de schilderijen, die hij voor de woning der Borgia’s vervaardigde. Juist daarom heb ik eenigszins uitvoerig over deze bijkans onbekende en onopgemerkte kunstwerken gesproken.

Het was mij, te midden dezer gewijde, ernstig-liefelijke voorstellingen, allen aan de gewijde historie of legende ontleend, en zoo vromen, naïeven zin ademende, wonderlijk te moede, als ik mij herinnerde, wie hier eenmaal hadden geleefd en bedacht wat deze rijk versierde wanden konden hebben aanschouwd, en beluisterd; van welke tooneelen deze stemmige vertrekken wellicht getuigen waren geweest. Deze Borgia’s hebben toch een weinig eervollen naam achtergelaten; paus Alexander VI, Lucretia, Francesco, Cesar Borgia: een duistere schaduw hangt over aller beeld, een onuitwischbare vlek kleeft op aller nagedachtenis. Wel trachtte de jonge, blonde, uiterst beleefde Monsignore, die ons vergezelde, ons een beteren dunk te geven van paus Alexander, door telkens te wijzen op de stichtelijke schilderijen waarmede hij zijne vertrekken versierde: maar deze rehabilitatie van een zoo befaamd personage vond zeer weinig ingang; en onze monsignore, wel opgevoed en fijn beschaafd als al zijne collega’s, was te wellevend om te blijven aandringen, waar hij zag dat men niet dan onwillig luisterde. En toch—heeft de moderne kritiek niet uitgemaakt, dat althans de grove beschuldigingen van Guicciardini tegen paus Alexander VI niet zoo voetstoots mogen worden aangenomen? Misschien zal men er in slagen om ook dit monster der legende in een mensch te herscheppen, dien wij althans begrijpen kunnen; zeker zal het nooit gelukken in dezen man een waardig dienaar van Christus, laat staan het hoofd zijner kerk te doen herkennen. Ik heb hier zijn portret gezien: die ronde, zwaarlijvige, plompe figuur: die verwrongen mond, die valkenblik, die krom gebogen neus, die gele gelaatskleur: dit alles geeft u den indruk van een zinnelijke, wispelturige, onrustige, eigenzinnige, sluwe natuur; een indruk, nog versterkt door een blik op die korte, vette handen met dikke vingers, die zoo recht passen bij de gemeenheid der geheele verschijning.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *