Geschiedenis

Thema’s > Geschiedenis In 600 voor Christus was Italië bewoond door verschillende volken. De Grieken hadden een plekje in het zuiden van Italië en de Carthagers op het eiland Sicilië. De stad Rome was van de Latijnen. Vele volken vochten tegen elkaar. Na lange strijd wonnen uiteindelijk de Latijnen. Zij werden steeds machtiger. In 590 v. Chr. wonnen de Latijnen van de Etrusken

Rome werd bestuurd door een koning, maar in 509 voor Christus werd de laatste Etruskische koning van Rome weggejaagd. Rome werd nu een republiek. De Republiek werd bestuurd door de Senaat. De senaat telde in het begin 300 mannen. Het waren allemaal rijke mannen, die we Patriciërs noemen. De senaat werd geleid door 2 mannen, de consuls. Die 2 mannen waren in oorlogstijd de baas van het leger, minister van justitie en minister – president. De 2 consuls werden ieder jaar gekozen door de mannelijke burgers in Rome. Buitenlanders, slaven en vrouwen mochten niet stemmen. Zij hadden geen enkele politieke rechten.

De burgers die mochten stemmen kozen niet alleen consuls (leiders) , maar ook praetors (rechters), quaestors (beheerders van de geld), aediles (verantwoordelijk voor openbare werken) en censors. De Patriciërs hadden dus de macht. Maar er was nog een andere groep die helemaal niets te vertellen had. Die groep mensen noemen we de plebejers. Na een felle strijd tegen de patriciërs kregen ook zij meer rechten. Er kwamen geschreven wetten die ervoor zorgden dat de patriciërs niet meer alleen de baas konden spelen.

Ondertussen hadden de Romeinen al veel gebied veroverd. De Romeinen hadden sterke legers en hadden goede wapens. De soldaten moesten gehoorzamen aan de legeraanvoerder. (generaal) Deze legeraanvoerders hadden dus veel macht. De bekendste legeraanvoerder was Julius Ceasar. Hij veroverde veel gebieden, zoals Frankrijk (Gallië) en delen van wat nu Italië heet. 200 na Chr. hadden de Romeinen bijna heel Europa veroverd. Ook een groot deel van Nederland werd veroverd door de Romeinen. Maar niet heel Nederland. De Romeinen hadden de rivier de Rijn als grens genomen. Dat betekende dus dat het zuiden van Nederland bezet was.

Aan het einde van de 15de eeuw trad een periode van verval in, waarbij Italië een speelbal van de grote mogendheden werd. 

Tot in de tweede helft van de 16de eeuw werd de strijd tussen Habsburg en Valois grotendeels op Italiaanse bodem uitgevochten. 

In 1494 trok Karel VIII van Frankrijk met een leger Italië binnen om als erfgenaam van het Huis Anjou zijn aanspraken op Napels kracht bij te zetten. Een verbond tussen keizer, paus, Aragón met Castilië, Milaan en Venetië dwong hem reeds in 1495 tot de terugtocht. Onder Karels opvolger, Lodewijk XII, herhaalde zich de geschiedenis. Behalve op Napels maakte deze vorst ook aanspraak op Milaan, dat hij in 1499 bezette. Napels werd door hem, samen met Ferdinand II van Aragón, veroverd. 

Reeds in 1505 moesten de Fransen zich hieruit terugtrekken, waardoor dit hele koninkrijk, met Sicilië, Spaans werd. 

In 1508 begon de Franse koning een oorlog tegen Venetië. Toen na aanvankelijke successen zijn bondgenoten zich tegen hem keerden, moest hij ten slotte in 1513 heel Italië weer ontruimen. 

Milaan kwam in 1535, in 1556 definitief, aan Spanje, zij het formeel als leen van het Duitse Rijk. In Florence bleven de De’ Medici aan het bewind, sedert 1569 als groothertogen van Toscane, doch geheel afhankelijk van de Habsburgers. In 1559 erkende Frankrijk bij de Vrede van Cateau-Cambrésis geheel Italië als bezit of invloedssfeer van Spanje. Slechts de Republiek Venetië bleef onafhankelijk.

Tot 1860 bestond het huidige Italië uit een aantal kleine staten en gebieden. In 1860 werden vrijwel alle staten van Noord-Italië deel van het koninkrijk Sardinië; in 1861 voegden alle zuidelijke staten, behalve Rome, zich bij het koninkrijk Sardinië en dit werd het koninkrijk Italië. In 1871 sloot Rome zich bij het verenigd Italië aan en werd de hoofdstad van het land.

 

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *